Gemeenschap van de Goede Herder - NL  - een open en gastvrije religieuze geloofsgemeenschap
Vijfde zondag van de Veertigdagentijd
21 maart 2010
 
Johannes 8,1-11
 
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerst een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
“Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”
 
 
Vierde zondag van de Veertigdagentijd
14 maart 2010
 
Lucas 15,1-3.11-32
 
In die tijd
kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe,
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u,
ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde zijn vader:
Jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en is teruggevonden.”
 
 
 
 
 
 
 
Derde zondag van de Veertigdagentijd
7 mrt 2010
 
Lucas 13,1-9
 
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen
die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs,
van wie Pilatus het bloed
met dat van hun offerdieren vermengd had.
Daarop zei Jezus:
“Denkt ge, dat onder alle Galileeërs
alleen deze mensen zondaars waren,
omdat zij dat lot ondergaan hebben?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij u niet bekeert,
zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.
Of die achttien die gedood werden
doordat de toren bij de Silóam op hen viel:
denkt ge dat die alleen schuldig waren
onder alle mensen die in Jeruzalem woonden?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij niet tot bekering komt
zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen."
Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis:
“Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond;
hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets.
Toen zei hij tot de wijngaardenier:
Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken
maar ik vind er geen.
Hak hem om! Waartoe put hij nog de grond uit?
Maar de man gaf hem ten antwoord:
Heer, laat hem dit jaar nog staan;
laat mij eerst de grond er omheen omspitten
en er mest op brengen.
Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht;
zo niet, dan kunt ge hem omhakken.”
 
 
 
 
 
Tweede zondag van de Veertigdagentijd
28 februari 2010
 
Lucas 9,28b-36
 
In die tijd nam Jezus
Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee
en besteeg de berg om er te bidden.
Terwijl Hij in gebed was veranderde zijn gelaat van aanblik
en werden zijn kleren verblindend wit.
En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek;
het waren Mozes en Elia
die in heerlijkheid verschenen waren,
en zij spraken over zijn heengaan
dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken.
Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand.
Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid
en de twee mannen die bij Hem stonden.
Toen dezen van Hem heen wilden gaan zei Petrus tot Jezus:
“Meester, het is goed dat wij hier zijn.
Laten wij drie tenten bouwen,
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
Maar hij wist niet wat hij zei.
Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde.
Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bevangen.
Uit de wolk klonk een stem die sprak:
“Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene,
luistert naar Hem.”
Terwijl de stem weerklonk
bemerkten zij dat Jezus alleen was.
Zij zwegen erover
en verhaalden in die tijd aan niemand iets
van wat zij gezien hadden.
 
 
 
 
 
 
 
Eerste zondag van de Veertigdagentijd
 
21 februari 2010
Lucas 4,1-13
 
In die tijd ging Jezus, vervuld van de heilige Geest, weg van de Jordaan.
Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd, waar Hij veertig dagen verbleef
en door de duivel op de proef werd gesteld.
Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger. De duivel zei nu tot Hem: “Als Gij de zoon van God zijt,
beveel dan aan die steen daar dat hij in brood verandert.”
Jezus gaf hem ten antwoord: “Er staat geschreven:
De mens leeft niet van brood alleen.” Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld.
En de duivel sprak tot Hem: “Ik zal U alle macht geven over deze heerlijke gebieden want ze zijn mij geschonken, en ik geef ze aan wie ik wil. Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal dat alles van U zijn.” Toen antwoordde Jezus hem: “Er staat geschreven:
De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.”
Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem,
plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort
en sprak tot Hem: “Als Gij de zoon van God zijt,
werp U dan vanaf deze plaats naar beneden;
want er staat geschreven:
Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven
U te beschermen en zij zullen U op de handen nemen
opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.”
Maar Jezus gaf hem ten antwoord:
“Er is gezegd: Gij zult de Heer, uw God, niet op de proef stellen.”
Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op
en hij verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd.
     
 
Zesde zondag door het jaar
 
14 februari 2010
 
Lucas 6,17.20-26
 
In die tijd daalde Jezus samen
met de twaalf van de berg af.
Hij bleef staan op een vlak terrein.
Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen
en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land,
uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon.
Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak:
“Zalig gij die arm zijt,
want aan u behoort het Rijk Gods.
Zalig die nu honger lijdt,
want gij zult verzadigd worden.
Zalig die nu weent,
want gij zult lachen.
Zalig zijt gij
wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten,
wanneer zij u uitstoten en u beschimpen
en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks.
Als die dag komt, springt dan op van blijdschap,
want groot is uw loon in de hemel.
Op dezelfde manier behandelden hun voorvaders de profeten.
Maar wee u, rijken,
want wat u vertroost hebt ge al ontvangen.
Wee u, die nu verzadigd zijt,
want ge zult honger lijden.
Wee u, die nu lacht,
want ge zult klagen en wenen.
Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken,
want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten.”
 
U dient Flash geïnstalleerd te hebben om deze pagina te bekijken.
Enya - Watermark
Music by Enya